Standsverandering of osteotomie

Vaak jarenlang uitstel van knieprothese mogelijk

Kraakbeenbeschadiging en daaropvolgend knieslijtage kan een aantal oorzaken hebben. Een kraakbeenbeschadiging kan bijvoorbeeld, jarenlang nadat een meniscus is verwijderd, ontstaan. Het kraakbeen kan beschadigen door een breuk in de knie of door het verdraaien van de knie. Beschadigingen van kraakbeen hebben vaak slijtage tot gevolg. Als deze slijtage maar aan één zijde van de knie zit (óf aan de binnenkant óf aan de buitenkant) dan kan vaak met een operatieve correctie van de beens tand (een zogenaamde beenascorrectie) een vermindering van klachten worden bereikt. Beenascorrecties hebben weinig of geen effect als de slijtage zowel aan de binnen- als buitenzijde van de knie aanwezig is of bij reumatische ziekten die de knie aantasten. Hieronder wordt uitgelegd hoe de operatie werkt.


Kniebelasting bij O- en X-benen

Bij een recht been worden bij lopen zowel de binnenzijde als de buitenzijde van de knie evenwichtig belast. Bij een O-been neemt de druk aan de binnenkant van de knie in verhouding toe. Als er sprake is van een O-been én van slijtage aan de binnenkant van de knie dan zal de knie pijnlijk zijn aan de binnenzijde door de hoge druk die op die plek bestaat. Door de hoge druk kan het kraakbeen verder wegslijten, waardoor de klachten verergeren. Door de stand van het O-been te veranderen naar een X-stand kan de druk van de binnenzijde worden overgebracht naar de buitenzijde. Daardoor komt er minder gewicht op het beschadigde kraakbeendeel. De klachten aan de binnenzijde van de knie zullen dan verminderen. Ook is het belangrijk dat de vicieuze cirkel van verder toenemende kraakbeenslijtage (waardoor ook de O-beenstand verergert en waardoor ook weer de druk toeneemt) wordt onderbroken. Het tempo waarmee de slijtage dus voortschrijdt, wordt duidelijk afgeremd. Het bovenstaande verhaal geldt ook voor slijtage aan de buitenkant van de knie in combinatie met een X-been. Correctie moet hier andersom plaatsvinden; van een X-been moet een O-been worden gemaakt waarbij de druk aan de buitenkant verminderd wordt en de klachten worden verlicht.

Verschijnselen van eenzijdige knieslijtage

De klachten bij eenzijdige knieslijtage bestaan vooral uit pijn bij belasten van de knie, moeilijk op gang komen na stil zitten, ochtendstijfheid en zwelling van de knie. Na verloop van tijd kan ook de beweeglijkheid van de knie afnemen, het strekken gaat moeilijker en ook het buigen wordt meer beperkt. Daarnaast is er een duidelijke vermindering van de spierkracht door de voortdurende pijn.

Op de polikliniek kan uw orthopeed door middel van foto’s vaststellen of er sprake is van een eenzijdige knieslijtage (binnen- of buitenzijde).

Aanvullende foto’s waar de benen van heup tot enkel op staan, geven inzicht in de asstand van de benen. Bij slijtage aan de binnenkant in O-beenstand is de patiënt een goede kandidaat voor een beencorrectie (osteotomie, waarbij de beenstand van O naar X wordt veranderd).

Het omgekeerde geldt ook voor slijtage aan de buitenzijde van de knie met een X-beenstand. Voorwaarde voor een goed effect van de operatie is dat de rest van de knie intact is en dat de beweeglijkheid nog redelijk is. Als de beweeglijkheid te ver is afgenomen, is een minder goed effect te verwachten
 
De operatie

De operatie kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. De meest gebruikte techniek bestaat uit het nemen van een botwigje uit het onderbeen, waarbij ook het kuitbeen los wordt gemaakt. Het wigje uit het onderbeen wordt verwijderd waardoor de stand van het been verandert. Door het botwigje te verwijderen, ontstaat een minimale beenverkorting, die voor de patiënt in het algemeen nauwelijks merkbaar is.

Nadat de beenstand is gecorrigeerd tijdens de operatie moet de opening die is ontstaan tussen de botdelen weer worden gesloten. Dit kan met behulp van krammen gebeuren, maar ook kan een plaatje met schroeven worden gebruikt. Deze twee implantaten blijven onder de huid zitten. Een andere methode is boven en onder de correctie pennen te plaatsen die met een uitwendige dwarsstang worden vastgemaakt. Daarnaast is het in sommige gevallen noodzakelijk om de correctie in het bovenbeen te verrichten. Bijvoorbeeld een beencorrectie met een plaatje.
Voor de operatie bestaat een O-been met slijtage aan de binnenkant, na de operatie is de stand veranderd in een X-been en de botdelen zijn gefixeerd met een plaatje en schroeven.

Nabehandeling

De nabehandeling bestaat uit enkele dagen bedrust voor de wondgenezing en herstel. Na de operatie kan voorzichtig worden begonnen met lopen op krukken zonder het been te veel te belasten, meestal 5 tot 10 kilo bij elke stap. In een aantal gevallen kan een aanvullend gips gebruikt worden om de correctie goed te handhaven. Als een plaatje wordt gebruikt, is gips niet nodig. Na de operatie ontstaat vaak een behoorlijke bloeduitstorting, die in 2 à 3 weken wegtrekt. Na 6 weken wordt tijdens de policontrole een röntgenfoto gemaakt om de botaangroei te controleren. Meestal is de botaangroei na 6 weken voldoende om de knie steeds meer te gaan belasten. Omdat de spieren ook weer moeten herstellen, kan het herstel van de kniefunctie zeker nog een maand tot 6 weken na de policontrole in beslag nemen.
Complicaties

Bij alle operaties kunnen complicaties optreden. De belangrijkste complicatie van deze operatie die op kan treden is een infectie. De kans hierop is relatief klein (ongeveer 1%). Een ander probleem, maar dit komt ook erg weinig voor, is dat de twee botdelen niet goed vastgroeien. Soms moet aanvullend nog een periode gips worden gegeven. Ook een zeldzame complicatie is uitval van de zenuw die achter het kuitbeen langs loopt. Deze zenuw kan door de operatie en door de zwelling soms gerekt worden en geïrriteerd raken, zodat deze soms blijvend niet goed meer functioneert. Soms kan een plaatje of een kram irritatie geven. Als het bot voldoende is vastgegroeid kan tijdens een korte opname het implantaat worden verwijderd. Dit heeft geen invloed op het functioneren van de knie.

Resultaten van de osteotomie

De resultaten van de operatie hangen af van veel factoren. Belangrijk is de mate van slijtage die aan de binnen- of buitenzijde van de knie aanwezig is. Verder speelt ook de mate van correctie een rol en ook is de kwaliteit van het resterende kraakbeen in het overige deel van de knie van belang. In het algemeen geeft de operatie vrij snel na de genezing van de wond een verlichting van de pijn. Het effect van deze pijnverlichting kan een aantal jaren duren. Naarmate de tijd verstrijkt, wordt het effect minder. Globaal kan worden aangegeven dat ongeveer 70 tot 80% van de patiënten na 5 jaar nog tevreden is. Na 10 jaar is dat voor 50 tot 60% nog het geval. Als de slijtage doorgaat, wat dus na verloop van tijd meestal wel het geval is, kan na de correctie-operatie uiteindelijk een knieprothese geplaatst worden.

De relatief jongere, actieve patiënt

De osteotomie is vooral een ingreep voor relatief jonge patiënten die hun knieën veel belasten. Deze patiëntencategorie is geen ideale kandidaat voor een knieprothese en de beencorrectie (osteotomie) kan worden toegepast om een eventuele knieprothese 10 tot 15 jaar uit te stellen. Naarmate men ouder wordt, zijn het activiteitenniveau en de belasting van de knieën meestal zodanig verminderd dat een knieprothese dan een beter effect heeft. De osteotomie is dus vooral voor de jongere, actieve patiënt met slijtage aan één kant van de knie een goede betrouwbare oplossing die zeker 5 tot 10 jaar een behoorlijk pijnvermindering geeft en de slijtage afremt.

Dr. A.B. Wymenga, Orthopedisch chirurg en
J.J.Reimering, ass. Orthopedie
 


Uit: Beter in Beweging Oktober 1998