Heupartrose, verslechteren of niet

Dr. Max Reijman: "Op 1 december 2004 ben ik gepromoveerd aan de Erasmus MC te Rotterdam, op het onderwerp "Determinanten van progressie van heupartrose". Momenteel ben ik werkzaam als senior onderzoeker op de afdeling orthopedie van het Erasmus MC.

De komende jaren zal er veel aandacht besteed worden aan artrose onderzoek binnen het Erasmus MC. In samenwerking met de afdelingen Reumatologie, Huisarts Geneeskunde en Interne Geneeskunde zullen met name het herkennen van hoog risico groepen en potentiële therapievormen die het artrose proces kunnen afremmen belangrijke speerpunten zijn. "


Artrose, oftewel gewrichtsslijtage, is een van de meest voorkomende aandoeningen van het bewegingsapparaat. Het vóórkomen van artrose zal gezien de vergrijzing van de westerse maatschappij alleen maar toenemen.
Door de combinatie van ‘ouder worden’ en het hoogstwaarschijnlijke stijgen van de pensioengerechtige leeftijd, zal het arbeidsverzuim vanwege klachten tengevolge van artrose alleen maar toenemen.
De voornaamste klacht bij heupartrose is de aanwezigheid van pijn, die verergert bij het belasten van de heup en afneemt bij rust. Daarnaast hebben patiënten met heupartrose een typerende ochtendstijfheid van de heup en tevens problemen met dagelijkse activiteiten zoals lopen en traplopen.

De afgelopen decennia heeft men nieuwe inzichten verworven in de rol van verschillende risicofactoren bij het ontstaan van artrose. Men denkt dat heupartrose een aandoening is met vele oorzaken, waarbij zowel systemische als lokale biomechanische factoren een rol spelen.

Systemische factoren hebben grofweg te maken met leeftijd, erfelijkheid, m/v en hormonen: de ‘grote’oorzaken die bepalen of iemand gevoelig is voor artrose.

De plaatselijke biomechanische factoren, zoals overgewicht, soort werk dat iemand doet, gewrichtsbouw en sportiviteit, bepalen uiteindelijk waar de artrose zal optreden en hoe ernstig die is. Met name de invloed van deze lokale biomechanische factoren was tot nog toe maar in geringe mate onderzocht. Ook was er nog maar weinig bekend over de factoren die tot verdere verslechtering van heupartrose kunnen leiden.
Dat was de aanleiding voor een studie die is uitgevoerd binnen een groot bevolkingsonderzoek onder mannen en vrouwen van 55 jaar en ouder uit de Rotterdamse deelgemeente Ommoord (3585 mensen), in Nederland bekend als het ERGO-onderzoek (Erasmus Rotterdam Gezondheid en Ouderen). Wanneer heupartrose?
De meeste studies maken gebruik van afwijkingen die zichtbaar zijn op röntgenfoto’s om heupartrose te omschrijven. Het maken en ‘lezen’ van een röntgenfoto is een makkelijk onderzoek en relatief goedkoop vergeleken met andere methoden zoals lichamelijk onderzoek of het maken van een MRI-scan.

Maar een belangrijk nadeel van röntgenfoto’s is dat er al duidelijke artrotische afwijkingen moeten zijn opgetreden in het gewricht, wil je die kunnen waarnemen op de foto. Vandaar dat men op zoek is naar een methode om deze afwijkingen eerder te kunnen waarnemen. Het voordeel van zo’n methode zou kunnen zijn dat je groepen kan identificeren die een verhoogd risico lopen dat hun heupartrose zal verslechteren.
Nu is een belangrijk kenmerk van artrose, dat het gewrichtskraakbeen wordt afgebroken. Zou men die afbraak kunnen constateren, dan zou dat op (meer) artrose kunnen wijzen. Recent is een methode ontwikkeld die in de urine producten van afbraak van kraakbeen kan bepalen (biomarker). Uit ons onderzoek blijkt dat een hoge concentratie van deze biomarker gemeten in de urine, inderdaad sterker is gerelateerd aan artrose dan een lage concentratie.

Ontstaan van heupartrose
De beste manier om een relatie tussen risicofactoren en het ontstaan van heupartrose aan te tonen is door het volgen van een grote groep mensen in de tijd.
Binnen onze studie ontwikkelde 9% een heupartrose gedurende de vervolgperiode. Van de groep mensen waarbij bij de beginmeting al een afwijkende vorm van de heupkom (dysplasie) werd geconstateerd, ontwikkelde 21% heupartrose. En bij mensen die bij de eerste meting al last hadden van heuppijn bleek het verschil nog veel groter namelijk 48% (in plaats van 9%).

Verslechteren van heupartrose
Door middel van factoren die gerelateerd zijn aan het verslechteren van heupartrose kunnen we groepen identificeren die een verhoogd artroserisico lopen. Andersgezegd: als je kunt voorspellen welke groepen wel, en welke veel minder kans maken om aan ernstiger vormen van artrose te gaan lijden, kan de therapie daar bij voorbaat op afgestemd worden.

Op het moment lopen er meerdere onderzoeken naar therapievormen die het artroseproces kunnen afremmen of zelfs kunnen stopzetten. Een tweede belangrijk doel is dat patiënten met een lage kans op verslechtering van hun artrose gerustgesteld kunnen worden. En een derde doel is om specifieke hoog-risicogroepen te selecteren voor klinische studies.

Binnen onze studie bleek dat van de mensen met heupartrose, maar 13% verslechterde gedurende de vervolgperiode van 6,5 jaar.
Wij hebben stapsgewijs onderzocht welke informatie, verkregen uit anamnese, lichamelijk onderzoek en een röntgenfoto in verband blijkt te hebben met verslechterende heupartrose.
Allereerst bleek dat ouder worden, vrouw zijn, en het hebben van heuppijn en beperkt functioneren allemaal een voorspeller van verergerende artrose te zijn.
Als de artrose dan ook al zichtbaar bleek te zijn op de röntgenfoto, bleek dat helemaal als onheilsbode te fungeren. Het verband bleek nog sterker in een populatie met heuppijn. Conclusie
1. Dysplasie heeft ook op oudere leeftijd een sterke relatie met het ontstaan van heupartrose.
2. Het vinden van artrotische afwijkingen op een röntgenfoto is de sterkste voorspeller voor het verslechteren van heupartrose.
3. Een nieuw ontwikkelde biomarker, die in de urine afbraakproducten van kraakbeen meet, is een sterke indicator van verslechterende artrose.
dr. Max Reijman, Erasmus MC, Rotterdam
 
 

Uit: Beter in Beweging, juli 2005