De Elleboogprothese

Een elleboogprothese is niet zo voor de hand liggend....

Als je aan het afwassen bent, jezelf aankleedt, de badkamer schoonmaakt of groente voor de soep snijdt, gebruik je je handen. De hand wordt aangestuurd door de elleboog, het gewricht dat de boven- en onderarm verbindt. Het maken van lekkere soep gaat niet zo gemakkelijk meer en de douche wordt ook niet meer zo schoon als de elleboog het laat afweten.

Als de elleboog is aangetast door artrose, een reumatische aandoening, een posttraumatische vervorming of een infectie ben je – letterlijk en figuurlijk – onthand. Operatieve mogelijkheden van voor de tijd van ‘het kunstgewricht’ zoals resectie arthroplastiek en artrodese, gaven maar weinig soulaas. Het operatief verwijderen van het gedestrueerde gewrichtsvlak en het omkleden van de gewrichtsuiteinden met peesweefsel, de zogenaamde resectie-arthroplastiek/interpositie arthroplastiek, leidt in de meeste gevallen tot een stabiele, gering pijnlijke en op den duur matig beweeglijke elleboog. Na een artrodese of het stijfzetten van een elleboog in een hoekstand van negentig graden ontstaat een forse functionele beperking van de betreffende arm. Beiden dus geen werkelijk prettige oplossing.

De elleboog is het gewricht tussen boven- en onderarm. Het ellebooggewricht is een compositie van drie gewrichten in één. Door deze gewrichten kan de onderarm ten opzichte van de bovenarm over een afstand van 130° worden gebogen (flexie) en vervolgens weer volledig worden gestrekt (extensie).
De onderarm kan om zijn lengteas 80 graden naar binnen worden gedraaid (pronatie) en 80 graden naar buiten worden gedraaid (supinatie).
Scharnier 
Dat kan beter, dachten orthopedisch chirurgen al meer dan vijftig jaar geleden. Er werd naarstig gezocht naar een betrouwbaar kunstgewricht. In de jaren zeventig leek de gecementeerde scharnierprothese van Dee en van onze landgenoot Nederpelt uitkomst te bieden. Maar de vreugde was van korte duur omdat al na zo’n drie jaar dertig procent van de kunstgewrichten los ging zitten in het bot. De krachten die bij gebruik van de elleboog inwerkten op de cement/ botovergang rond de prothese waren veel te groot om het kunstgewricht stevig in het bot te verankeren. Daarna zijn andere kunstgewrichten voor de elleboog ontworpen, waarbij de krachten eerst voor een deel door de oorspronkelijke banden van het gewricht worden opgevangen zodat de prothese op de cement/bot overgang iets minder wordt belast. Zo werd de vaste scharnierverbinding tussen de component voor de bovenarm en de onderarm, die alleen buigen en strekken toeliet, vervangen door een losse scharnierverbinding, die behalve strekken en buigen ook wat zijdelingse beweeglijkheid en wat rotatie beweging toeliet (een soort scharnierprothese). Bij een ander ontwerp werd de vorm van het gewrichtsoppervlak nagemaakt en deze delen werden in het bovenarmsbot en onderarmsbot vastgezet (de zogenaamde gewrichtsoppervlakte-vervanging). De stelen van dergelijke kunstgewrichtsvlakken zijn korter, zodat bij de operatie meer bot kan worden gespaard. Dat maakt een nieuwe operatie gemakkelijker als de originele elleboogprothese loslaat.

Deze nieuw ontworpen kunstgewrichten zullen minder snel los gaan zitten en de resultaten op de langere termijn zijn waarschijnlijk veel beter.
Jammer genoeg zijn nog maar van weinig prothesen de langetermijnresultaten gepubliceerd.
Complicaties
De belangrijkste en grootste groep patiënten waarbij een elleboogprothese duurzaam kan worden geplaatst, zijn mensen met reuma. Bij ongeveer de helft van de reumapatiënten wordt de elleboog aangetast. Een groot deel van deze patiënten met een elleboogprothese zijn tien jaar na de ingreep nog steeds zeer tevreden over het resultaat. Slechts tien procent van deze mensen met reuma heeft opnieuw pijn aan de elleboog of voelt zich ernstig beperkt in het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Het aantal late complicaties is nog steeds hoger dan de complicaties die optreden na het plaatsen van een kunstgewricht in de heup of de knie. In een onlangs door ons verrichte overzichtsstudie werden na vijf jaar bij een groep van meer dan 1300 patiënten de volgende complicaties gezien: loslating van de prothese 5%, infectie 3%, ontwrichting 3% en fractuur 1%. Afhankelijk van de ervaring van de operateur en het type gebruikte prothese zal deze frequentie iets variëren.

Artrose van de elleboog komt weinig voor (ongeveer 1-2 % van de patiënten met artrose) en veroorzaakt meestal pas klachten na het vijftigste levensjaar. Voor die leeftijd is de meest voorkomende klacht dat de elleboog niet meer volledig kan worden gestrekt en minder soepel kan worden bewogen. Ook kunnen de zenuwen rond de elleboog in de knel komen.

De behandeling bestaat in eerste instantie uit het aanpassen van de werkomgeving en medicijnen tegen de pijn. Als dat niet helpt, kan het operatief schoonmaken van de elleboog en het vrijleggen van de zenuw tijdelijk verlichting van de klachten geven. Tot een totale elleboogprothese komt het zelden, omdat deze betrekkelijk jonge mensen hun elleboog na de operatie weer volledig zullen gaan gebruiken met als gevolg een vergrote kans op complicaties. Na het plaatsen van een prothese bij deze groep patiënten is de bewegingsomvang minder goed, terwijl dat juist vaak de klacht was voor de ingreep.

Een in de toekomst steeds belangrijker indicatiegebied betreft de behandeling van de botbreuken van de elleboog bij de oudere patiënt (ouder dan 65 jaar) met osteoporose, artrose van diverse andere gewrichten en een matige algemene conditie. Het functionele herstel van de getroffen elleboog kan door het plaatsen van een prothese aanzienlijk worden versneld. Mede door de leeftijd zal de mechanische belasting van het kunstgewricht niet al te hoog zijn, zodat complicaties als loslating niet te verwachten zijn.

door: Piet Rozing, Orthopedisch chirurg
 
Uit: Beter in Beweging, mei 2006